Het IJssellandschap - Foto's van Wicher Naberman

Het IJssellandschap - Foto's van Wicher Naberman
Etty Hillesum en het IJssellandschap

Etty Hillesum is bekend geworden door de dagboeken en brieven die ze schreef in de jaren 1941-1943. Veel beschouwingen zijn er nadien over de geschriften van Etty Hillesum verschenen. Veel is er geschreven over het geestelijk erfgoed dat het denken van Etty bepaald heeft. Weinig is er geschreven over de invloed van de materiële wereld op haar levenshouding, haar denken en haar manier van schrijven. In dit essay gaat Wicher Naberman in op de invloed van die materiële wereld.

Etty Hillesum schreef de dagboeken in de jaren 1941-1942 en de brieven uit het doorgangskamp Westerbork en Amsterdam in 1942 en 1943. In de brieven staat de beschrijving van het leven in kamp Westerbork centraal. Haar dagboeken vormen een uitvoerige beschrijving van de ontwikkeling van haar eigen persoonlijkheid en haar zoektocht naar de diepere zin van het leven in een wereld vol dreiging en toenemende beperkende maatregelen. Ze stelt veel levensbeschouwelijke en filosofische vraagstukken aan de orde.

Etty Hillesum werd geboren in 1914 in Middelburg. Op 10-jarige leeftijd verhuisde ze naar Deventer, waar haar vader rector werd van het Stedelijk Gymnasium. Vanaf 1932 ging ze rechten en Slavische talen studeren in Amsterdam. Van 1937 tot 1943 woonde zij in de Gabriel Metsustraat 6, vanwaar zij uitkeek over het Museumplein.
Op die plek schreef zij het overgrote deel van haar dagboeken die pas in 1981, 38 jaar na haar dood, werden uitgegeven en later in meer dan 14 talen over de hele wereld werden verspreid.
Veel beschouwingen zijn er nadien over de geschriften van Etty Hillesum verschenen. Veel is er geschreven over het geestelijke erfgoed dat het denken van Etty bepaald heeft: de invloed van filosofische, psychologische en theologische opvattingen en de invloed van schrijvers en dichters.
Weinig is er geschreven over de invloed van de materiële wereld op haar levenshouding en haar manier van denken en daaraan gekoppeld haar manier van schrijven.
Dat het geestelijke aspect de overhand heeft is niet verwonderlijk omdat ook Etty in haar geschriften het accent legt op de innerlijke wereld en haar spirituele ontwikkeling.
Maar het materiële aspect wordt door Etty niet genegeerd. Op 7 augustus 1941 schrijft zij tijdens een verblijf in Deventer:
‘Ik ben nog niet erg vergroeid met dit leven, ik zit er niet stevig in vastgegroeid, dat komt waarschijnlijk omdat het materiele en het geestelijke nog niet tot één organisch geheel zijn samengegroeid’.

Wat is de invloed geweest van de materiële ruimte waarin zij in haar jeugd verkeerde op haar manier van denken?
In haar dagboeken haalt Etty herinneringen op aan wandelingen langs de IJssel en fietstochten in de omgeving van Deventer. Zij vertelt over de ervaringen van rust, ruimtelijkheid en vrijheid in het landschap, een volledig contrast met de chaos, onrust en nerveuze spanning in haar ouderlijk huis. Het IJssellandschap moet op Etty Hillesum onuitwisbare indrukken hebben achtergelaten. Hoe de wisselwerking tussen de gedachtenwereld van Etty en het landschap is geweest, valt moelijk te doorzien.
Heeft het IJssellandschap met zijn typische kenmerken van o.a. dynamiek, verandering, openheid en ruimtelijkheid haar manier van denken bepaald of vond zij omgekeerd diezelfde kenmerken die zij in zichzelf voelde, terug in het IJssellandschap?

Op 4 juli 1941 schrijft zij:
‘In Deventer waren de dagen grote zonnige vlaktes,... Er waren korenvelden, die ik nooit meer zal vergeten en waarbij ik bijna neergeknield was, er was die IJssel met de kleurige parasol en met het rieten dak en de geduldige paarden. En dan, de zon, die ik door alle poriën liet binnenkomen’.
Op 7 augustus 1941:
‘Vanavond hing de zon als een roodgloeiende bol tussen twee zwarte masten van een schip. Over de sponning in de verte schuifelde een speelgoedtreintje. Er was een vrolijke wolkenlucht. Ik stond daar op de schipbrug in m’n regenjas en keek maar’.
Etty Hillesum geeft in deze citaten een gedetailleerde beschrijving van haar visuele indrukken. Zij stelt zich op als toeschouwer van het landschap.

Subject en object staan tegenover elkaar


In andere beschrijvingen praat ze meer over beleving van het landschap, leeft ze zich volledig in in het landschap. Ze staat er niet meer tegenover maar is deelgenoot van het landschap geworden.
Eerder op 23 maart 1941 schrijft ze:
‘...de dagen lagen als open wijde vlaktes voor me en ik kon vrij over die vlaktes gaan en die dagen waren wijd en onbelemmerd in hun uitzicht. En nu zit ik weer midden in het struikgewas’.
Op 7 augustus 1941:
‘Ik zou zelf wel willen verdwijnen, zelf willen oplossen, mezelf willen vergeten en kwijtraken. Niet weglopen voor mezelf, maar heel natuurlijk en harmonisch willen oplossen in de aarde en de hemel’.
De wens om op te lossen in het landschap is gerealiseerd als ze schrijft:
Ik ben stilgestaan op dat bruggetje en heb gekeken ver over het water, ben versmolten met het landschap en heb al m’n tederheid in die nacht neergelegd en gegeven aan de hemel met z’n sterren en aan het water en het bruggetje’. (25 april 1942)

Het subject is onderdeel van het object geworden


Op 3 juni 1942 schrijft ze: ‘Maar het zou zo moeten: eerst alles kristalhelder beschrijven, zeer exact en minutieus, en wanneer men tot in de laatste uithoeken de vatbare realiteit van iets heeft uitgebeeld, dan pas is het rijp om in de irreële sfeer over te gaan,dan pas kan het tot symbool, tot gelijkenis worden van een immateriële en irreële voorstellingswereld’.
Het bovenstaande klinkt bijna als een verantwoording achteraf voor haar manier van schrijven, omdat zij in de vele voorgaande dagboeknotities reeds uitgebreid gebruik maakte van metaforen. Het landschap blijkt een onuitputtelijke bron voor haar metaforische beschrijvingen van mensen, situaties en haar eigen innerlijk. De beeldende beschrijvingen van Etty zijn ondenkbaar zonder haar observaties van en belevingen in het landschap van haar jeugd.
Over bijvoorbeeld het uiterlijk van Julius Spier, haar leermeester en geliefde, schrijft ze dat zijn gezicht voor haar nog steeds
een fascinerend, aangrijpend landschap is’ (15 maart 1941). Precies een jaar later schrijft ze: ‘...het viel me weer op, hoe de kop een grauw, verweerd, oeroud landschap was’ (17 maart 1942).


Nog beeldender is het taalgebruik als ze haar eigen innerlijk beschrijft:
Mijn innerlijke landschap bestaat uit grote, wijde vlaktes, oneindig wijd, er is nauwelijks een horizon, de ene vlakte gaat over in de andere’. Even verderop: ‘De binnenwereld is even re‘el als de buitenwereld. Men moet dit bewust weten. Zij heeft ook haar landschappen, haar contouren, haar mogelijkheden, haar onbegrensde gebieden. En zelf is men het kleine centrum waar binnen- en buitenwereld elkaar ontmoeten’ (11 juni 1941).
Op 30 december 1941 schrijft zij:
‘...Heb dat vaak of het uiterlijke landschap de weerspiegeling is van het innerlijk. Donderdagmiddag even langs de IJssel. Stralend, wijd en helder landschap. Ook een gevoel voort te lopen door de eigen ziel’.
Op 20 februari 1942 schrijft zij ’s morgens in haar dagboek:
‘Ik had opeens het gevoel vannacht, dat m’n innerlijke landschap er uitzag als wijde graanvelden, die te rijpen stonden’. Aan het eind van de ochtend vervolgt zij: ‘Ik heb weer eens gewandeld langs de grenzen van het innerlijke rijk, weer eens helemaal vertoefd in de stilte -nog lang niet stil genoeg- en gevoeld hoe broodnodig ik dat heb’.

Opgemerkt werd reeds dat Etty zich in het landschap opgenomen voelde. Zij was er deel van geworden.
Verlaat zij in materiële zin dit landschap, dan blijkt zij geestelijk het landschap in zich gesloten te hebben. Zij draagt het met zich mee.
Een opvallende kentering heeft in de relatie subject-object plaatsgevonden.

Het object is onderdeel van het subject geworden


Deze omschakeling is van vitaal belang voor Etty Hillesum om te kunnen overleven in een steeds repressievere wereld. Door de voor joden beperkende maatregelen kan zij niet meer die plekken opzoeken waar zij naar verlangt. Het deert haar niet, de landschappen zijn in haar.
Op 26 juni 1942 schrijft zij:
‘...ik draag m’n eigen klimaten en weersgesteldheden in me en ben onafhankelijk van die buiten me. Dat men eigen seizoenen en landschappen in zich draagt, het gaf me ineens zo een machtig en onafhankelijk gevoel’.
Op 15 september 1942:
‘En al zou ik zitten in een ondergrondse cel, dan zou dat stuk hemel binnen in mij uitgesponnen zijn en mijn hart zou als een vrije vogel uitvliegen naar de hemel....’.
En 9 oktober 1942:
‘Door mij heen stromen de brede rivieren en in mij staan de hoge gebergten. En achter de struikgewassen van m’n onrust en verwarringen strekken zich de brede effen vlaktes van m’n onrust en overgegevenheid. Alle landschappen zijn er in me. Er is ook voor alle plaats. In mij is de aarde en in mij is ook de hemel’.

In bovenstaande fragmenten worden binnen- en buitenwereld nog als afzonderlijke grootheden beschreven in een onderlinge samenhang vol symboliek. In andere dagboekaantekeningen, vooral in de periode dat haar bewegingsruimte steeds meer wordt ingeperkt, zijn die afzonderlijke werelden volledig verdwenen.
Op 28 maart 1942 schrijft zij over de boom voor haar huis:
Ik dreigde één ogenblik sentimenteel te worden, toen de takken gekapt werden. En één ogenblik was ik heel zwaar treurig. En toen wist ik meteen weer: het nieuwe landschap, dat er ontstaat, zal ik weer op zijn manier liefhebben’.
Is dit een minutieuze beschrijving van een stukje buitenwereld, is de afgeknotte boom symbool voor Etty’s leven in deze repressieve wereld of beschrijft Etty zichzelf in de boom?
Binnen- en buitenwereld zijn één geworden.

Subject en object zijn samengesmolten


Op 1 juli 1942 schrijft zij:
‘O ja, die jasmijn..., hij staat daar ingeklemd tussen de verveloze muur van de achterburen en de garage. ...Tussen dat grauw en dat modderige donker, is hij zó stralend, zo ongerept, zo uitbundig en zo teer...’.
Kan hier eenzelfde vraag gesteld worden?
Die jasmijn is Etty.

Na een periode waarin Etty als vrijwilligster in Westerbork hulp verleende aan haar lotgenoten werd ook zij vanaf juli 1943 definitief in kamp Westerbork geïnterneerd.Vanuit dit kamp werd Etty Hillesum op 7 september 1943 met haar ouders en jongste broer Mischa gedeporteerd naar het vernietigingskamp Auschwitz waar zij op 30 november 1943 werd omgebracht.

Wicher Naberman, januari 2004

 
 
© 2022 Het IJssellandschap - Foto's van Wicher Naberman